Alumnus en sociaal ondernemer Arnoud Raskin: “Liever tegenwind dan applaus.”

Arnoud Raskin is een rasechte ondernemer, maar wel één die z’n winst liever versluist naar de straat dan naar zijn eigen bankrekening. De reden daarvoor? De straatkinderen die hij met zijn mobiele scholen een beter leven wil geven. Voor zijn laatste spin-off StreetSmart krijgt hij 490.000 euro van Google, en ontwikkelt hij een app die jeugd- en straathoekwerkers ondersteunt bij hun werk met kwetsbare jongeren.

Je hebt industrieel vormgevers die goed ogende, maar slecht zittende stoelen ontwerpen. Er zijn er die zich richten op lawaaierige koffieapparaten, multifunctionele trapleuningen of onbetaalbare auto’s ... Alumnus Arnoud Raskin ontwikkelde een mobiele school. “Een uitklapbaar schoolbord op wieltjes, gevuld met educatief materiaal en leerspellen, waarmee ik straatkinderen overal ter wereld wil onderwijzen én empoweren”, zegt hij.

Zijn organisatie Mobile School heeft inmiddels 57 schoolmobielen in dertig verschillende landen. Het idee voor zijn levenswerk kreeg Raskin toen hij als 22-jarige naar Colombia trok. Hij ging er aan de slag als straathoekwerker en zag de soms schrijnende omstandigheden waarin kinderen opgroeien. Een aha-ervaring voor de jonge student productdesign, die op dat moment nog volop zocht naar manieren om zijn eigen leven vorm te geven.

“Als kind droomde ik ervan om uitvinder worden”, vertelt hij. “Niet Jommeke of Lambik, maar professor Barabas en Gobelijn waren mijn striphelden (lacht). Ik koos voor een opleiding productdesign, maar daar bleek ik al snel een buitenbeentje … Mijn medestudenten maakten schetsen voor de Porsche die ze ooit hoopten te ontwerpen of lazen de fancy designboekjes. Daar had ik niéts mee. Van ‘social design’ was nog amper sprake, maar ik voelde wel dat ik dié kant op wilde. Ik wilde iets kunnen betekenen met mijn werk. En hoe kan je mensen beter kansen geven dan door ze te onderwijzen? Het prototype van de mobiele school werd uiteindelijk mijn eindwerk.”

Schoolwerk

Na zijn afstuderen schipperde Raskin een tijd tussen België en Zuid-Amerika, waar hij zijn mobiele school bijstelde en – letterlijk – trachtte uit te rollen. “Een lastige periode. Ik tapte pinten om rond te komen en zodra ik voldoende had verdiend, stapte ik het vliegtuig op. Als het geld op was, keerde ik terug naar ‘hotel mama’ en begon alles opnieuw. Mijn hele leven stond in het teken van mijn project. Ik had met verschillende ngo’s contact opgenomen, maar daar was ik niet welkom. ‘Een designer die aan ontwikkelingswerk wil doen? Zever niet!’”

Het motiveerde hem om een aanvullende master Cultural Anthropology and Development Studies (CADES) te volgen aan KU Leuven. “Ik zag in dat ik mezelf breder moest vormen om geloofwaardig te zijn in die wereld van ontwikkelingssamenwerking. Tot dan vertrouwde ik op mijn buikgevoel, maar daar leerde ik het jargon om dat ook professioneel te verwoorden. Ik had het voordeel dat men de opleiding nog volop aan het vormgeven was. Ik had de flexibiliteit om dié vakken te kiezen die voor mij iets konden betekenen: economie, antropologie, filosofie van de technologie … Ook hier stond elke paper die ik schreef in het teken van mijn mobiele school (lacht).”

Raskin leerde er ook zijn eerste zakenpartner Ann Van Hellemont kennen. “Ann had ervaring met straathoekwerk, dus er was meteen een klik”, zegt hij. “We zaten naast elkaar in de aula, maakten samen groepswerken en discussieerden tot in de late uurtjes. In die periode leerde ik ook een filantroop kennen die wilde investeren in de opstart van mijn project, als ik hem een vijfjarenplan kon voorleggen. Ann sprong mee op de kar, hielp me bij dat plan en een goed jaar later was Mobile School een feit.”
 

Ontwikkelingsorganisaties zagen de straat lang als negatief. Maar als je tegen een straatkind zegt dat de straat slecht is, zeg je ook: ‘Jij bent slecht’.


Slechte straat

Met Mobile School trok Raskin tien jaar lang rond in Zuid-Amerika, waar hij ook zelf hielp als straathoekwerker. Hoe moeilijk is het om het vertrouwen van straatkinderen te winnen?

“Veel hangt af van hoe je hen benadert. Ik heb hen altijd als gelijken behandeld, vanuit een soort fascinatie. ‘Ik vind je interessant, mag ik je leren kennen?’ Dat is anders dan op hen afstappen als hulpverlener die hen komt ‘redden’ of paternalistisch zegt wat ze fout doen. Ik heb vaak genoeg gezien hoe het niét moet, hoor. In Colombia had ik een collega die telkens een sjaaltje op de grond legde voor ze ging zitten. Zo beledig je die kinderen, natuurlijk. De straat is hun thuis. Hoe zou jij reageren als ik bij jou op bezoek kom en een handdoek op je sofa leg voor ik ga zitten?”

“Hulpverleningsorganisaties of ngo’s hebben jaren gewerkt vanuit het idee dat de straat een zuiver negatieve omgeving is”, zegt Raskin. “Maar voor veel jongeren is het net hun redding geweest. Als je in een slum woont en dagelijks slaag krijgt of wordt misbruikt, is lijm snuiven onder een brug met vrienden een stap vooruit. Hoe cynisch het ook klinkt. De straat is een plek waar ze voor het eerst vriendschap en erkenning vinden, waar ze een eigen identiteit kunnen ontwikkelen. Als je dan tegen die kinderen zegt dat de straat slecht is, zeg je ook: ‘Jij bent slecht’.”

“In het verleden werden veel middelen ingezet om kinderen in opvangtehuizen of afkickcentra te plaatsen. Maar uit de cijfers blijkt dat 90 procent van die jongeren terugkeerde naar de straat. Hoe komt het dat zij ervoor kiezen om tussen het vuil en ongedierte te leven? Om drugs te nemen, honger te lijden of zich te prostitueren? Simpel: omdat hun eigenwaarde naar de knoppen is. Door wat ze hebben meegemaakt, zijn ze het spoor bijster en kunnen ze geen keuzes meer maken. Met Mobile School willen we hen helpen om uit het dal te klimmen. We brengen hen in een positie waarin ze sterk genoeg zijn om vrije keuzes te maken. We stimuleren hen om zo hoog mogelijk te mikken, maar wij beslissen niet voor hen.”

Drijfveer

Raskin is terecht trots op die pioniersaanpak. Dat die ook zijn vruchten afwerpt, blijkt uit het verhaal van Junieth. “Een straatmeisje dat les kreeg aan onze mobiele school, en uiteindelijk een universitair diploma haalde en aan de slag ging als journalist en ondernemer.”

“Ik krijg geregeld berichtjes van straatkinderen met wie ik heb gewerkt”, zegt hij. “Ze nodigen me uit voor hun huwelijk of sturen me een foto van een echografie, met de boodschap: ‘Je wordt nonkel’. Dat schenkt veel voldoening. Maar je mag je niet blindstaren op succesverhalen. Van de tienduizenden jongeren die aan onze scholen passeren, zijn er veel die nog steeds arm zijn of in een slum leven. Wil dat zeggen dat ons werk een druppel op een hete plaat was? Nee, want het verschil tussen waar ze zitten en waar ze zouden hebben gezeten zonder hulp is enorm. Als we kunnen voorkomen dat iemand crackjunk wordt, hebben we die gasten écht een positieve impuls gegeven.”

Toch kan hij niet iederéén helpen, weet hij. “Tussen 1996 en 2008 heb ik zelf intens aan straathoekwerk gedaan en met Zuid-Amerikaanse jongeren samengewerkt. Dat creëert een band: je leert die kinderen kennen. Als ik op straat liep, kwam er uit elke kartonnen doos iemand die me begroette. ‘Hola, Arnoud!’ Als het dan misgaat, heeft dat een enorme emotionele impact. In Guatemala Stad heb ik verschrikkelijke dingen meegemaakt. Ik moest jongeren gaan identificeren die door sociale zuivering waren vermoord. Dan zie je iemand op straat liggen met wie je maanden hebt samengewerkt, die een vriend geworden is, met de hersenen uit zijn hoofd. Dat is verschrikkelijk.”

“In die tijd stapelde ik trauma’s op, maar ik kon niet anders dan doorgaan. Die jongeren rekenen op je. De negatieve energie moet je proberen om te zetten in iets constructiefs. ‘Ik moet verder met mijn project’, dacht ik, ‘ik moet er alles aan doen om dergelijke toestanden in de toekomst te vermijden.’ Pas toen ik weer in België was, kreeg ik mijn klop. Ik ging op café en hoorde vrienden vertellen over aandelen die ze hadden gekocht, terwijl het bloed bij wijze van spreken nog aan mijn handen kleefde. Toen had ik het moeilijk. Ik sliep amper, werd snel emotioneel … Een post-traumatisch stresssyndroom, bleek achteraf.”

Die emotionele betrokkenheid maakt zijn werk er niet makkelijker op, maar het blijft wel één van zijn grootste drijfveren. “Je moet weten waarom je het doet”, zegt hij. “Ik verwacht van al mijn medewerkers dat ze ooit aan straathoekwerk doen, al is het maar een paar dagen. Die gasten even in de ogen kijken, een connectie teweegbrengen. Dat is soms het probleem in hulpverlening. Organisaties groeien en op een bepaald moment wordt het voortbestaan van de organisatie belangrijker dan je oorspronkelijke doel. Je verliest voeling met je bestaansreden. Dat wil ik koste wat kost vermijden.”

Je moet zijn wat je predikt. Je kan straatkinderen niet zeggen dat ze op eigen benen moeten kunnen staan en dan zelf subsidies vragen.

Kritiek

Raskin zet zich al twintig jaar in voor straatkinderen. We durven het haast niet vragen, maar heeft hij ooit getwijfeld? “Elke dag”, zegt hij. “Ik zit in de poverty business en dat geeft me een enorme verantwoordelijkheid. Is het legitiem om een organisatie uit te bouwen die mensen in West-Europa een comfortabel loon uitkeert, terwijl er elke dag straatkinderen creperen? Is het oké dat ik op hun kap mijn carrière uitbouw en erkenning krijg? Maak ik voldoende verschil om dat te mogen claimen? Die twijfel heeft ertoe geleid dat ik in 2007 mijn tweede bedrijf StreetwiZe heb opgericht.”

Met StreetwiZe geeft Raskin opleidingen in bedrijven, scholen en organisaties. Het opzet? Werknemers of bedrijfsleiders de kennis van straatkinderen bijbrengen, onder het motto ‘Didn’t grow up like a street kid? Start thinking like one’. “Zelfs in crisissituaties blijven straatkinderen positief, wendbaar en creatief, anders zouden ze niet overleven. Daar kunnen topmanagers nog wat van leren. De winst die we boeken vloeit volledig naar Mobile School, waardoor we nog meer kinderen kunnen helpen.”

“Aanvankelijk kreeg ik het verwijt dat ik straatkinderen inzette voor consulting. Dat zou moreel onverantwoord zijn. Onzin, want het is net omdát ik die gasten de moeite waard vind, dat ik zelfbedruipend wilde zijn. Ik vond het niet langer oké om te zeggen dat ze hun leven in eigen handen moesten nemen, werken in plaats van te bedelen en dan zelf m’n hand uit te steken voor subsidies. Je moet zijn wat je predikt. Ik heb niets tégen overheidssteun, en ik vind niet dat de budgetten omlaag moeten, maar besef dat het niet de enige manier is om je organisatie te financieren.”

“Wie innoveert krijgt tegenwind”, zegt Raskin. “Als je ‘out of the box’ denkt, is het normaal dat bepaalde mensen sceptisch of verontwaardigd reageren. Je hoeft je eigenlijk pas zorgen te maken als iedereen applaudisseert (lacht). Ik heb die kritiek in zekere zin ook nodig. Het motiveert me. Hoe meer mensen tegengas geven, hoe meer ik denk: ‘Wacht maar af!’.”

Het financieringsmodel van Mobile School en StreetwiZe wordt inmiddels onderwezen op grote business schools, als een toonbeeld van sociaal ondernemerschap en innovatie. “Zelfs op Harvard mochten we ons verhaal gaan doen. Ik hoop dat we studenten kunnen inspireren, dat ze op een andere manier gaan denken en verder bouwen op dat sociaal ondernemerschap. Op die manier kunnen we onze impact nóg groter maken.”

Dossierkennis

Dat laatste wil hij ook doen met zijn nieuwe project StreetSmart, een ‘Tech4Good’-bedrijf dat jeugdwerkers en straathoekwerkers ondersteunt bij hun werk met kansarme kinderen. Google toonde vertrouwen in het concept en gaf Raskin 490.000 euro. “Met dat geld ontwikkelen we een Learning Management System, met trainingsvideo’s voor jeugdwerkers, een digitaal platform rond educatieve spellen, en een app die de impact van mobiele scholen op straatjongeren meet.”

“Straathoekwerkers krijgen onze mobiele scholen ‘in bruikleen’ en rapporteren in ruil over de sociale impact op straatkinderen”, vertelt Raskin. “In het verleden hadden we daar een systeem voor uitgewerkt, maar het bleef moeilijk om die impact te meten. Veel jeugdwerkers vertrouwen op hun buikgevoel. Dat is goed, maar als wij onze scholen willen verbeteren hebben we méér data nodig.”

Met de app kunnen jeugdwerkers onder meer aanduiden hoeveel kinderen aanwezig zijn bij activiteiten, de gemoedstoestand en het leerproces van de jongeren opvolgen, of hun sociaal netwerk in kaart brengen. “Je kan per kind ook een dossier aanmaken. Zo kan je die jongeren perfect opvolgen. Als ze vertellen over een vriend kan je die bijvoorbeeld toevoegen aan hun netwerk en kijken hoe gezond die relatie is. Is het een oude schoolkameraad? Of een drugsdealer?”

“Dat elk van die straatjongeren een eigen ‘profiel’ heeft, maakt het makkelijker voor nieuwe jeugdwerkers. In de sector is er veel uitval. Met die online profielen vermijd je dat ‘dossierkennis’ over jongeren verloren gaat als iemand eruit stapt ... Een nieuwe jeugdwerker heeft meteen alle nodige info, zonder dat we de privacy van die jongeren of de GDPR schenden. Rapporteren via zo’n app is ook minder tijdrovend dan gepruts met Excel-bestanden.”

Op een bepaald moment stapelde ik trauma’s op, maar ik kon niet anders dan doorgaan. Die straatjongeren rekenen op je. De negatieve energie moet je proberen om te zetten in iets constructiefs.

Exponentieel

Raskin wil een wereldspeler worden en verschillende organisaties ondersteunen. “Het zou belachelijk zijn om die peperdure technologie enkel voor onszelf te houden. Ik hoop dat zowel jeugdwerkers in de Parijse banlieues als straathoekwerkers in Zuid-Amerika de app gebruiken.”

“Ook dat heeft weer te maken met die legitimiteit en twijfel, hoor. Als ik mijn impact wil verdubbelen heb ik daar met Mobile School nog eens tien jaar voor nodig. Stel dat we al 350 jeugdwerkers getraind hebben, dan moet ik er nog eens 350 trainen. Met de technologie van StreetSmart kan ik tienduizenden straathoekwerkers helpen om beter te worden in hun job en jongeren een betere service te geven, in twee à drie jaar. Dan spreek je niet van lineaire, maar exponentiële groei.”

© StreetwiZe MobileSchool

Ander nieuws