
Leuven en de wereld
Vandaag komt bijna één op vijf studenten aan onze universiteit uit het buitenland. Maar hoe zat dat zeshonderd jaar geleden?
Wanneer Willem Neve in het najaar van 1425 in opdracht van het stadsbestuur gaat pleiten bij paus Martinus V voor de toelating om een studium generale te mogen oprichten in Leuven, heeft hij een verzoekschrift bij zich. Eén van de argumenten daarin: als inwoners van het hertogdom Brabant willen studeren, moeten ze ver reizen. Op dat moment telt Europa al een vijftigtal universiteiten, maar de Lage Landen moeten het voorlopig nog zonder stellen. Wie in onze contreien woont en een diploma wil, trekt daarvoor meestal naar Keulen of Parijs. Aangezien er overal wordt gedoceerd in het Latijn, is er van een taalbarrière geen sprake.
De paus verleent zijn toestemming, met een document dat bekendstaat als de ‘stichtingsbul’, en op 2 oktober 1426 beginnen een paar honderd studenten in Leuven aan het eerste academiejaar. Ze komen in de eerste plaats uit het hertogdom Brabant, uiteraard, en uit de graafschappen Vlaanderen en Holland. Reisafstand is altijd een belangrijke factor voor studenten, en was dat zeker ook in de middeleeuwen. Toch blijkt uit cijfers van halverwege de vijftiende eeuw dat voor één op vier studenten Leuven niet de dichtstbijgelegen universiteit was.
Een belangrijke reden voor de aantrekkingskracht die de universiteit uitoefende op buitenlandse studenten, was de toelating van paus Martinus V in 1432 om ook een faculteit theologie op te richten. Dat verleende een zeker prestige en straalde ook af op de andere opleidingen: kerkelijk recht, burgerlijk recht en geneeskunde. Eind vijftiende eeuw hebben bijvoorbeeld de meeste artsen in Frankrijk met een buitenlands diploma – zeventien in totaal – dat diploma in Leuven behaald.
Lees meer op stories.kuleuven.be »
